Verbpedia Logo Verbpedia
๐Ÿ‡ณ๐Ÿ‡ฑ

Top Dutch Verbs & 't Kofschip Guide (Nederlandse Werkwoorden)

Dutch grammar features the legendary 't Kofschip phonetic rule for regular past endings, separable prefixes, and the critical distinction between hebben and zijn auxiliaries.

๐Ÿšข 't Kofschip Rule: Stems ending in t, k, f, s, ch, p take -te / -ten
โœ‚๏ธ Separable Verbs: Prefix splits to end of clause (Ik bel je op)
โšก Zijn vs Hebben: Motion & change of state use zijn
zijn
to be
olmak
+ zijn
Present (o.t.t.): ben / is / zijn
Past (o.v.t.): was / waren
Past Participle: geweest
Ik ben thuis. (I am home.)
Evdeyim.
hebben
to have
sahip olmak
+ hebben
Present (o.t.t.): heb / heeft / hebben
Past (o.v.t.): had / hadden
Past Participle: gehad
Ik heb een vraag.
Bir sorum var.
doen
to do
yapmak
+ hebben
Present (o.t.t.): doe / doet / doen
Past (o.v.t.): deed / deden
Past Participle: gedaan
Wat doe je?
Ne yapฤฑyorsun?
gaan
to go
gitmek
+ zijn
Present (o.t.t.): ga / gaat / gaan
Past (o.v.t.): ging / gingen
Past Participle: gegaan
We gaan naar Amsterdam.
Amsterdam'a gidiyoruz.
komen
to come
gelmek
+ zijn
Present (o.t.t.): kom / komt / komen
Past (o.v.t.): kwam / kwamen
Past Participle: gekomen
Hij komt morgen.
Yarฤฑn geliyor.
zien
to see
gรถrmek
+ hebben
Present (o.t.t.): zie / ziet / zien
Past (o.v.t.): zag / zagen
Past Participle: gezien
Ik zie het.
Onu gรถrรผyorum.
kunnen
can, to be able to
yapabilmek
+ hebben
Present (o.t.t.): kan / kunt / kunnen
Past (o.v.t.): kon / konden
Past Participle: gekund
Ik kan je helpen.
Sana yardฤฑm edebilirim.
moeten
must, to have to
zorunda olmak, -meli
+ hebben
Present (o.t.t.): moet / moeten
Past (o.v.t.): moest / moesten
Past Participle: gemoeten
We moeten nu gaan.
ลžimdi gitmeliyiz.
willen
to want
istemek
+ hebben
Present (o.t.t.): wil / wilt / willen
Past (o.v.t.): wilde / wilden
Past Participle: gewild
Wat wil je eten?
Ne yemek istiyorsun?
weten
to know (facts)
bilmek
+ hebben
Present (o.t.t.): weet / weten
Past (o.v.t.): wist / wisten
Past Participle: geweten
Ik weet het niet.
Bilmiyorum.
zeggen
to say, tell
sรถylemek
+ hebben
Present (o.t.t.): zeg / zegt / zeggen
Past (o.v.t.): zei / zeiden
Past Participle: gezegd
Wat zeg je?
Ne diyorsun?
maken
to make, create
yapmak
+ hebben
Present (o.t.t.): maak / maakt / maken
Past (o.v.t.): maakte / maakten
Past Participle: gemaakt
Ik maak koffie.
Kahve yapฤฑyorum.
eten
to eat
yemek
+ hebben
Present (o.t.t.): eet / eten
Past (o.v.t.): at / aten
Past Participle: gegeten
Eet smakelijk!
Afiyet olsun!
drinken
to drink
iรงmek
+ hebben
Present (o.t.t.): drink / drinkt / drinken
Past (o.v.t.): dronk / dronken
Past Participle: gedronken
Ik drink water.
Su iรงiyorum.
spreken
to speak
konuลŸmak
+ hebben
Present (o.t.t.): spreek / spreekt / spreken
Past (o.v.t.): sprak / spraken
Past Participle: gesproken
Spreekt u Nederlands?
Flemenkรงe konuลŸuyor musunuz?
blijven
to stay, remain
kalmak
+ zijn
Present (o.t.t.): blijf / blijft / blijven
Past (o.v.t.): bleef / bleven
Past Participle: gebleven
Ik blijf thuis.
Evde kalฤฑyorum.
begrijpen
to understand
anlamak
+ hebben
Present (o.t.t.): begrijp / begrijpt / begrijpen
Past (o.v.t.): begreep / begrepen
Past Participle: begrepen
Ik begrijp het.
Anlฤฑyorum.
vragen
to ask
sormak
+ hebben
Present (o.t.t.): vraag / vraagt / vragen
Past (o.v.t.): vroeg / vroegen
Past Participle: gevraagd
Mag ik iets vragen?
Bir ลŸey sorabilir miyim?
opbellen
to call up (separable)
telefonla aramak
+ hebben
Present (o.t.t.): bel op / belt op / bellen op
Past (o.v.t.): belde op
Past Participle: opgebeld
Ik bel je straks op.
Seni birazdan arayacaฤŸฤฑm.
meenemen
to take along (separable)
yanฤฑna almak
+ hebben
Present (o.t.t.): neem mee / neemt mee
Past (o.v.t.): nam mee
Past Participle: meegenomen
Neem een paraplu mee.
Yanฤฑna ลŸemsiye al.
๐Ÿ“ฌ

Master 1 Irregular Verb Every Morning

Join 4,200+ students getting a 2-minute daily breakdown of irregular conjugation rules & memory shortcuts. 100% free, unsubscribe anytime.